
Het langverwachte vervolg op het verhaal uit mijn vorige post:
De zon sloeg ongenadig neer op de glimmende zwarte zerken. Het kerkhof lag er verlaten bij, met uitzondering van twee parkwachters in groene overall die onder de bomenrij voorbij slenterden. Rita herkende George, hij had hen rondgeleid toen ze hier zes jaar geleden voor het eerst kwamen. De andere was nieuw hier. Vast een jobstudent dacht Rita. Een magere, slungelachtige jongen met lang donker haar dat voor zijn ogen viel. Roger liep wat verder voor hen uit. “Zie je die daar?” George wees naar Roger. De jongen knikte sloom. “Proficiat. Dan heb je je eerste levend lijk gezien.” De jongen keek niet begrijpend toen George hem een schouderklopje gaf. “Ja, we noemen hem en zijn vrouw ‘de zombies’. Die komen hier iedere zaterdag, weer of geen weer, hun eigen graf opblinken.” “Hun eigen graf?” “Ja jongen, ge zou ervan verschieten wat wij hier allemaal meemaken. Ze komen naar ’t schijnt niet meer overeen met hun kinderen.” George lachte: “’K vraag me af wie dat er dan dat graf gaat komen kuisen als ze alle twee dood zijn!”
Rita zat op haar knieën op de grafsteen, met gele rubberen handschoenen en een schuurborstel in haar hand de twee na te kijken terwijl ze het pad afliepen. “De zombies”, prevelde ze zacht. Met een smak kieperde ze de emmer zeepsop over de steen. De zerk stoomde in de hitte. Ze stortte zich met de schuurborstel voorover en begon als een gek te schrobben. Alsof zij eraan kon doen dat haar kinderen niet meer naar haar omkeken. Wat had ze dan moeten doen? Roger verlaten? Na al die jaren? En dan? Het zweet gutste langs haar armen naar beneden. En wat zouden de mensen wel niet denken? Ze zou nogal een naam hebben. Haar schouders en nek kleurden steeds roder, maar Rita merkte niks. De zonnestralen weerkaatsten op de blinkende steen. Met woeste halen schuurde ze verder terwijl ze keek naar het wazige spiegelbeeld onder de borstel. Zwarte vlekken gleden voor haar ogen. Het spiegelbeeld begon te veranderen. Een dikke grijze snor groeide uit haar neus. Haar wangen bliezen zich op. Ze keek niet langer naar zichzelf, maar naar Roger. Hij lachte zijn tanden bloot en stak zijn armen naar haar uit. Met een kracht braken zijn handen door de grafsteen. Zijn zoekende vingers grepen Rita bij de polsen en sleurden haar naar beneden.
Met een schok sprong Rita recht. Ze duizelde op haar benen en haar tong plakte tegen haar uitgedroogde verhemelte. Hijgend en helemaal doorweekt ging ze op het bankje onder de kerselaar zitten. Haar hoofd bonsde. Ze sloot haar ogen.
“Wat is er hier gebeurd?!” Roger stond met zijn armen in de zij voor het graf. “Amai, hij heeft nog nooit zo schoon geblonken. Ge hebt uw best gedaan.” “En waar zat gij?” Roger draaide zich om. Rita stond op van de bank. “Ik was wat water gaan halen uit den auto. Met zo’n warm weer moet ge opletten dat ge voldoende vocht binnenkrijgt.” “Hoe ziet gij er trouwens uit? Precies een slons.” “En hebt ge voor mij ook wat water mee dan?” Ze stond nu vlakbij Roger. “Euhm, nee. T’is dorstig weer é. Da’s al allemaal op.” Het leek of haar brein bonkte tegen haar slapen. Rode vlekken flitsten voor haar ogen. “Gij smerige egoïst!” Roger keek verbaasd toe hoe de schuurborstel naar zijn hoofd werd geslingerd. En opnieuw. “Wat, wat krijgen we nu?” Hij wankelde een paar stappen naar achter, struikelde over de lege emmer zeepsop en viel met gespreide armen naar achter, dwars over de grafsteen. Zijn nek maakt een vreemde knik bij het raken van de granieten rand van de zerk. Met een schreeuw stortte Rita zich bovenop hem en klopte met de borstel tot die rood zag.
Ze haalde een zakdoek boven en veegde de tranen en het zweet van haar gezicht. Ze verzamelde het schoonmaakgerief en stopte alles terug in de emmer. Aan de kraan wat verderop spoelde ze haar handen en dronk ze een paar grote slokken water. George en de nieuwe jongen stonden bij de uitgang op een schop te leunen. Ze lachte vriendelijk in hun richting. “Tot volgende week”, riep George. Ze liep naar de rode Nissan in de schaduw van de treurwilg en stapte in. Ze startte de wagen en door de boxen klonken The Gregorian Masters of Chant met een cover van ‘Nothing Else Matters’. Ze zette het volume op maximum en met gierende banden scheurde de wagen over het zinderende asfalt.







