vrijdag 14 mei 2010

Creaclub IV (bis)




Het langverwachte vervolg op het verhaal uit mijn vorige post:

De zon sloeg ongenadig neer op de glimmende zwarte zerken. Het kerkhof lag er verlaten bij, met uitzondering van twee parkwachters in groene overall die onder de bomenrij voorbij slenterden. Rita herkende George, hij had hen rondgeleid toen ze hier zes jaar geleden voor het eerst kwamen. De andere was nieuw hier. Vast een jobstudent dacht Rita. Een magere, slungelachtige jongen met lang donker haar dat voor zijn ogen viel. Roger liep wat verder voor hen uit. “Zie je die daar?” George wees naar Roger. De jongen knikte sloom. “Proficiat. Dan heb je je eerste levend lijk gezien.” De jongen keek niet begrijpend toen George hem een schouderklopje gaf. “Ja, we noemen hem en zijn vrouw ‘de zombies’. Die komen hier iedere zaterdag, weer of geen weer, hun eigen graf opblinken.” “Hun eigen graf?” “Ja jongen, ge zou ervan verschieten wat wij hier allemaal meemaken. Ze komen naar ’t schijnt niet meer overeen met hun kinderen.” George lachte: “’K vraag me af wie dat er dan dat graf gaat komen kuisen als ze alle twee dood zijn!”

Rita zat op haar knieën op de grafsteen, met gele rubberen handschoenen en een schuurborstel in haar hand de twee na te kijken terwijl ze het pad afliepen. “De zombies”, prevelde ze zacht. Met een smak kieperde ze de emmer zeepsop over de steen. De zerk stoomde in de hitte. Ze stortte zich met de schuurborstel voorover en begon als een gek te schrobben. Alsof zij eraan kon doen dat haar kinderen niet meer naar haar omkeken. Wat had ze dan moeten doen? Roger verlaten? Na al die jaren? En dan? Het zweet gutste langs haar armen naar beneden. En wat zouden de mensen wel niet denken? Ze zou nogal een naam hebben. Haar schouders en nek kleurden steeds roder, maar Rita merkte niks. De zonnestralen weerkaatsten op de blinkende steen. Met woeste halen schuurde ze verder terwijl ze keek naar het wazige spiegelbeeld onder de borstel. Zwarte vlekken gleden voor haar ogen. Het spiegelbeeld begon te veranderen. Een dikke grijze snor groeide uit haar neus. Haar wangen bliezen zich op. Ze keek niet langer naar zichzelf, maar naar Roger. Hij lachte zijn tanden bloot en stak zijn armen naar haar uit. Met een kracht braken zijn handen door de grafsteen. Zijn zoekende vingers grepen Rita bij de polsen en sleurden haar naar beneden.

Met een schok sprong Rita recht. Ze duizelde op haar benen en haar tong plakte tegen haar uitgedroogde verhemelte. Hijgend en helemaal doorweekt ging ze op het bankje onder de kerselaar zitten. Haar hoofd bonsde. Ze sloot haar ogen.

“Wat is er hier gebeurd?!” Roger stond met zijn armen in de zij voor het graf. “Amai, hij heeft nog nooit zo schoon geblonken. Ge hebt uw best gedaan.” “En waar zat gij?” Roger draaide zich om. Rita stond op van de bank. “Ik was wat water gaan halen uit den auto. Met zo’n warm weer moet ge opletten dat ge voldoende vocht binnenkrijgt.” “Hoe ziet gij er trouwens uit? Precies een slons.” “En hebt ge voor mij ook wat water mee dan?” Ze stond nu vlakbij Roger. “Euhm, nee. T’is dorstig weer é. Da’s al allemaal op.” Het leek of haar brein bonkte tegen haar slapen. Rode vlekken flitsten voor haar ogen. “Gij smerige egoïst!” Roger keek verbaasd toe hoe de schuurborstel naar zijn hoofd werd geslingerd. En opnieuw. “Wat, wat krijgen we nu?” Hij wankelde een paar stappen naar achter, struikelde over de lege emmer zeepsop en viel met gespreide armen naar achter, dwars over de grafsteen. Zijn nek maakt een vreemde knik bij het raken van de granieten rand van de zerk. Met een schreeuw stortte Rita zich bovenop hem en klopte met de borstel tot die rood zag.

Ze haalde een zakdoek boven en veegde de tranen en het zweet van haar gezicht. Ze verzamelde het schoonmaakgerief en stopte alles terug in de emmer. Aan de kraan wat verderop spoelde ze haar handen en dronk ze een paar grote slokken water. George en de nieuwe jongen stonden bij de uitgang op een schop te leunen. Ze lachte vriendelijk in hun richting. “Tot volgende week”, riep George. Ze liep naar de rode Nissan in de schaduw van de treurwilg en stapte in. Ze startte de wagen en door de boxen klonken The Gregorian Masters of Chant met een cover van ‘Nothing Else Matters’. Ze zette het volume op maximum en met gierende banden scheurde de wagen over het zinderende asfalt.

maandag 10 mei 2010

Creaclub IV



Voor de les Creatief Schrijven moesten we deze week een verhaal schrijven. Of beter, een aanzet, eerste versie of deel van een verhaal. Ziehier het resultaat, in deel 1 van het wilde avontuur van Roger en Rita:



Het zou geen dag worden als anders. Rita was met het onbehaaglijke gevoel opgestaan en het had haar de hele ochtend niet meer losgelaten. Misschien was het door dat aanhoudende zwoele weer. Ze sliep al dagen slecht door die hitte. En Roger hield het slaapkamerraam liever dicht ’s nachts nu dat Marokkaanse gezin aan de overkant van de straat was komen wonen.

Zenuwachtig knipte ze het slot van de donkerblauwe handtas op haar schoot steeds weer open en dicht. “Stop daar nu toch een keer mee! Ge haalt me helemaal uit mijn concentratie.” Haar vingers klampten zich rond de tas. Roger snoof diep door zijn neus, draaide de volumeknop van de autoradio nog wat hoger en begon opnieuw luid mee te zingen met de gregoriaanse gezangen op de cd. Wat had hij toch een prachtige stem gehad. Ze was meteen als een blok voor hem gevallen de eerste keer dat hij zijn keel had opengezet. Hij was aan het oefenen met het kerkkoor, zij bracht net verse bloemen uit de zaak van haar ouders naar de heilige Madonna. Sinds die dag had ze geen enkele misviering gemist waarin hij meezong, tot hij uiteindelijk ook haar opmerkte. Dertig jaar lang had hij zich blijven inzetten voor dat koor en dan was er dat spijtig voorval geweest met het wespennest in de dakgoot. Hij heeft nooit meer hetzelfde geklonken. Drie weken later was hij ontslagen uit het koor en nu zeven jaar later had Rita sterke twijfels of ze die nachtegalenstem waarop ze verliefd was geworden nog ooit terug zou horen. Maar Roger bleef volhardend verder oefenen aan zijn glorieuze comeback.

“Godverdomme, welke onnozelaar heeft er zijn auto daar op mijn plaats gezet?!” Het parkeerterrein lag er verlaten bij, met uitzondering van een grote zwarte lijkwagen bij de treurwilg. Traag reed Roger de rode Nissan Micra langs de lijkwagen. “En ’t is er dan nog één van Van Snick. Die weet nu toch al dat wij hier ieder weekend staan?” Aan het einde van de parkeerplaats maakte Roger rechtsomkeer. “Zou die hier nog lang bezig zijn?”, hij drukte twee keer hard op de claxon. “Er is toch plaats genoeg?”, probeerde Rita nog. “Ik zet mijn auto altijd daar en ge weet waarom. De beste plaats van heel de parking. In de schaduw van de boom, maar ook niet eronder, zodat niet heel mijn auto is volgescheten als we terugkeren.” Een man met een zwart pak kwam vloekend aangelopen over het grasveld, stapte in de lijkwagen, reed twintig meter verder en parkeerde de wagen opnieuw. Met een harde klap werd het portier dichtgeknald, waarop de man weer verdween in het groen. “Amai, die was ook niet al te goed gezind. Heb je dat nu gezien? Niet eens een goeiedag.” Verongelijkt reed Roger de auto mooi binnen de schaduw van de treurwilg.

Rita haalde de emmer, de schuurborstel en de schoonmaakproducten uit de koffer. De zon stond hoog aan de hemel. Het asfalt van het parkeerterrein zinderde in de hitte. Ze voelde haar nek tintelen en bedacht dat ze zichzelf was vergeten in te smeren met zonnecrème. Gelukkig had ze aan Roger wel gedacht. Samen liepen ze het pad af. Na hier zes jaar lang ieder weekend te komen, wist ze ondertussen blindelings waar ze zijn moest. Het derde pad naar links, voorbij het kapelletje rechtsaf tot aan de Japanse kerselaar en dan het tweede pad links. Roger wilde ver genoeg van de kerselaar verwijderd zijn, want die vallende bloesemblaadjes maken er toch altijd meteen een slordig boeltje van.

Met stevige bewegingen veegde Rita de schuurborstel over de glimmende granieten plaat en al snel stond het zweet haar op de rug. Hoewel ze hier nu al meer dan zes jaar kwamen vond ze het nog altijd eng om te worden aangestaard door haar eigen portret, met daarnaast de foto van Roger. Onder de foto’s stonden hun namen in koperkleurige letters met daarbij hun geboortedatums gevolgd door een streepje en een lege ruimte. Het was een idee van Roger geweest. Want wie zou hun begrafenissen regelen nu ze geen contact meer hadden met de kinderen? Bovendien hadden ze nu volledig hun eigen zin kunnen doen. De beste plaats van het kerkhof, de zerk die zij wilden, de steensoort: graniet, een duurzaam materiaal en gemakkelijk in onderhoud. Hij had echt aan alles gedacht. Hij begreep dan ook niet waarom er niet meer mensen waren zoals zij.



Spannend! Uw eigen ideeën en fantasieën over het verdere verloop van het verhaal zijn altijd welkom.

Om af te sluiten en bij wijze van bedanking voor het vele leeswerk, nog een Hit Van De Dag. Alstublieft:

donderdag 6 mei 2010

Goud




Boudewijnlaan, Brussel:

De zon schijnt. Er waait een briesje door de verse lenteblaadjes aan de bomen langs het voetpad. Tegen een gevel van een appartementsgebouw staan wat vuilniszakken en kartonnen dozen. Op de grond ernaast ligt een goudvis van wel 20 centimeter lang. Op de vierde verdieping staat een raam open.





Er spookt alweer de hele morgen een liedje door mijn hoofd. Vandaag is het deze:

vrijdag 30 april 2010

Creaclub III



Mijn in soepel zwart leer gehulde hand hield de overvolle boodschappentas stevig vast. Het regende. Ik trok de zwarte kap over mijn hoofd. Met grote passen liep ik de straat door, dwars door de plassen, terwijl mijn opgeblonken schoenen luid tikten tegen de natte kasseien. De muziek klonk al van om de hoek. Ik glimlachte. Onder het afdak stond een oude man enthousiast op een xylofoon te tokkelen. De omgekeerde pet op de grond voor zijn instrument was leeg en doorweekt, maar dat maakte hem niet minder vrolijk. In een vlotte beweging plaatste ik de boodschappentas naast hem neer, trok snel en onopvallend een foto en verdween weer in de regen.

In gedachten zag ik de verbaasde blik van de man bij het ontdekken van de tas. Hoe zijn handen erin graaiden en er de koekjes uithaalden, gevolgd door het vers fruit, het brood, de taart, de fles champagne, de omslag met geld. Ik zag de lach op zijn gezicht. Zijn gespreide armen richting hemel. Hoe de tranen uit zijn ooghoeken over zijn wangen rolden en er de regendruppels vergezelden. Ik zuchtte en glimlachend liep ik de vervallen rijwoning binnen.

Op de rommelige binnenplaats keerde ik om. Niemand. Ik haalde de kaart boven en liep naar de zware roestige poort aan het andere eind van de koer. In een flits gleed de kaart door de gleuf en de poort ging geruisloos open. Ik stapte het enorme verlaten pakhuis binnen. Een blik achterom. De poort gleed alweer dicht. In het donker liep ik naar de lift en drukte op de bovenste knop. Mijn vingerafdruk werd herkend en de lift zoefde omhoog.

Het was opgehouden met regenen en de zon scheen voorzichtig door de grote ramen de enorme loft binnen. In één haal drapeerde ik mijn lange zwarte mantel over de stoel bij de liftdeur, nam de step die tegen de muur leunde en rolde naar het andere eind van de ruimte. Ik parkeerde de step tegen de lange massief houten bureautafel en liep naar de wand ertegenover. Ik haalde het polaroidprentje van de man met de xylofoon uit mijn broekzak en hing hem aan de muur.

De laatste wolk trok voorbij en de zon straalde uitbundig binnen. De muur was bezaaid met foto’s. Mijn blik gleed over de wand. Op een krantenfoto lachten een groep weeskinderen me toe. Hun handen vol speelgoed dat op een dag zomaar voor de deur had gestaan. Een klasfoto bij de Eiffeltoren, nadat een anonieme gift ervoor gezorgd had dat er dat jaar toch geld genoeg was voor de Parijs-reis. Mijn broer en zijn vriendin voor hun droomhuis, dat ze hadden kunnen kopen toen de vorige eigenaar de prijs plots had gehalveerd. Het onopvallende kadertje in het midden van de muur met daarin een klein rozig briefje met daarop zeven cijfers. De juiste cijfers.

Buiten klonk lawaai. Ik opende het raam en tuurde in de diepte. Een man krabbelde recht van tussen de vuilnisbakken in de steeg ver onder mij. De fles champagne in zijn hand was bijna leeg. Waggelend van de ene gevel naar de andere ging hij verder. Een luide boer, en hij begon te zingen “J’aime, j’aime la vie”. Een glimlach verscheen op mijn lippen.

woensdag 28 april 2010

Goed poetsen




Metro Ijzer/Yzer:

Het is na de middag. Op het perron staan enkele jongeren met rugzakken. Wat verder staan een paar zakenmensen, keurig in het pak. Ernaast staat een vrouw, begin de dertig. Een beige rok op kniehoogte, deftige zwarte schoenen met een lage hak, een zedig donkerblauw hemd. Haar blonde haren een beetje verward. Ze poetst haar tanden. Grondig. Ze spuwt op de sporen, bergt de tandenborstel op in haar beige handtas en stapt in de metro.

vrijdag 23 april 2010

Muziek tussen de oren

Regelmatig word ik wakker met een liedje. Niet op mijn wekkerradio, want die heb ik niet. Ook niet op mijn gsm, want die produceert geen ultramegamultipolyfone belgeluiden. Nee, ik word wakker met een liedje in mijn hoofd. Een liedje dat zich dan meestal voor de rest van de dag in 'high rotation' in mijn hoofd nestelt en constant smeekt om meegeneuried te worden.

U wist dit misschien niet, maar de schrijver dezes is een begenadigd zangtalent. Juffrouw Katrien van de muziekschool wist het al, "die blokfluit is een ramp, maar hij kan wel mooi zingen" en ook juffrouw Ongenae van het derde leerjaar was zodanig onder de indruk van mijn engelengezang in de tweewekelijkse misviering dat het goedbedoelende mens dit gewoonweg moest delen met de klas met de uitspraak: "jullie zouden beter allemaal een voorbeeld nemen aan Pieter, die zingt tenminste enthousiast mee in de mis". Dat ik hierdoor voorgoed was uitgesloten van een plaats bij de 'coole' klasgenoten, was vast nooit haar bedoeling geweest.

Maar genoeg jeugdtrauma's, vanmorgen werd ik hiermee wakker:

zondag 18 april 2010

Creaclub II

Nog een tekstje uit de les creatief schrijven, waarbij de opdracht was om over een ophefmakende gebeurtenis te schrijven alsof je er zelf bij was.



“Volgens mij is hij homo.” Meteen barst de liftcabine los in luid gekakel.
“Maar nee, hij draagt een ring.”
“Ja, meerdere ringen!”
“Maar heeft hij geen dochter?”
“Ja maar, dat sjaaltje! Zoiets draagt een gewone vent toch niet?”
“Ja, da’s wel waar natuurlijk.”

Ting. De liftdeur gaat open en ik loop de gang in, achter me gaat de discussie uitgebreid verder. In het klaslokaal hangt de geur van collectief gegeeuw en lome vermoeidheid. “Zet er iemand een keer een raam open?” Een meisje in een flinterdun gebloemd kleedje gilt het uit: “Nee! Straks wordt het koud.” De docent loopt binnen, ploft zijn tas op het bureau en zwaait het uiteinde van zijn sjaaltje achter zich. Gesmoord gegiechel achter me. De deur gaat dicht.

Een monotoon gemompel heft aan vooraan in het lokaal. Dat, en de tropische hitte van de radiatoren brengt me al snel in een toestand van complete apathie. De deur gaat open. Ik schrik even op. Een paar rood aangelopen studenten haasten zich snel naar binnen, verontschuldigingen sissend over een vertraagde trein. Zuchtend zak ik weer neer. Even later gaat de deur opnieuw open. “Bus gemist.” Nog eens. “Tram geblokkeerd.” Een derde keer. “Overslapen.” Opnieuw. “Wat zal het zijn? Binnen of buiten?” De docent draait zich geërgerd om. Het sjaaltje wappert in de lucht. Hilariteit achteraan.

Een oorverdovende knal. Alle hoofden schrikken op. Het sjaaltje wappert vrolijk verder terwijl de docent tegen de grond zakt. Geen gelach meer. Een bleke jongen in het zwart en met een donkere zonnebril wandelt het lokaal binnen. Gisterenmiddag stond hij achter me in de rij voor de broodjes. Het meisje met het gebloemde kleedje gilt het uit. Cursussen en pennenzakken vallen op de grond. Nog een knal. Stoelen schuiven alle kanten op, mensen springen weg en tafels vallen om. Ik struikel over een rugzak. Iemand loopt over me heen. Weer knallen. Overal kronkelen mensen weg in hoekjes, tussen stoelpoten en onder boekentassen. Getier en gedaver in de gang. Opnieuw een knal. Ik krul me op, mijn handen tegen mijn oren gedrukt en mijn ogen dichtgeknepen. Dit gebeurt niet echt. Trage voetstappen. Het lokaal uit. Nog een schot. Niks meer.

Stank. Plots dringt ze mijn neus binnen. Een scherpe, zurige geur. De vloer is nat. Gesnuit, gesleep en gestommel rondom me. Ik hoor mensen rechtkomen. Ik kijk door mijn wimpers heen. Papier, jassen, een rugzak, een rug. Ik trek mijn ogen verder open. De fijne gebloemde stof waarin de rug gehuld is vertoont zompige, donkere vlekken. Mensen staan recht en kijken verweesd rond. Sommigen blijven liggen. Overal ligt papier. Wit en rood. Iemand loopt naar buiten. De rest volgt. Ik ook.

woensdag 14 april 2010

Zomersproetjes

6 leuke melodietjes om de aankomende zomer mee te verwelkomen. Alstublieft!
















zaterdag 10 april 2010

Shirley




Trein Luik/Guillemins:

Een koppel van eind de twintig zit op de trein. Allebei hebben ze een halveliterblik bier in de hand. Zij heeft grijze tanden en draagt zwarte combatboots. Hij is een magere kerel in veel te wijde skaterkledij. Op haar schoot zit een schattige kleuter met blonde krullen, volledig in het roze gekleed.

“Jij vindt Dimitri toch ook leuker dan papa, é Shirley?”
“(Luid) Ik haat papa!” “Ja é, mama?”

donderdag 8 april 2010

Creaclub

Ziehier mijn gevierde tekst uit de vorige les Creatief Schrijven. De opdracht luidde als volgt: "Schrijf een tekst over een persoon met een interessante voorgeschiedenis die op een punt komt in zijn/haar leven waarop hij/zij besluit zich in te schrijven op een datingsite." Het resultaat valt hieronder te lezen:



Muzieknoten trilden door de muur waarop hij aan het tekenen was. Bijna twee jaar oefende die cello nu al op hetzelfde stuk. Veel progressie had hij nog niet gemerkt. Maar misschien kwam dat door de muur die ertussen stond. In gedachten telde hij af: vijf, vier, drie, twee, een... “Woef!” Een glimlach. Farinelli, de gecastreerde koningspoedel op het balkon boven, hief zijn vertrouwde concerto aan. Al bijna twee jaar vergezelde de vleesgeworden pruik de cello met een klaaglijk gejank. Het klonk steeds wanhopiger. Maar misschien was dat enkel zijn verbeelding.

Hij tekende verder. De rode balpen vlamde over het papier. Een paar dieprode krassen, daarboven wat vertakkingen en een kroon van woeste krullen. Een boom. Het was een dag om bomen te tekenen. Hij had het monotone werk lang uitgesteld, maar vandaag ging het als vanzelf. Nog een boom. Het gezeur van de cello, het gejank van de hond en de ruisende stroom van wagens beneden werden achtergrondmuziek. En nog een boom.

De muziek werd luider. Hij was terug op het feestje met de vrienden. Bijna twee jaar geleden. Hetzelfde overvolle café als altijd. Dezelfde gezichten. Dezelfde moegedraaide feestnummers. “En wat vind je van hem?” riep ze in zijn oor. “Euh, hij ziet er een sympathieke gast uit”, stamelde hij. Ze keken naar de toog waar haar verovering zijn kaken rond een glas bier had gedrukt en het onder hevige aanmoedigingen zonder handen probeerde leeg te drinken. “Ik zie hem écht graag”, zei ze. Hij knikte. Wat deed hij hier? Uit de boxen klonk Paul Severs in een technoversie. “Woohoo!” Met een enthousiaste kreet stormde ze naar de dansvloer. Hij leegde zijn pint, draaide zich om en baande zich tegen de stroom een weg naar buiten, terwijl het café rond hem in slowmotion losbarstte. “Geen wonder dat ik ween”, zong de Vlaamse chansonnier. Hij trok de deur achter zich dicht. De wijsvinger van zijn rechterhand maakte tekeningen in de nachtlucht. En nog een boom.

Het rode bos onder zijn vingers strekte zich nu uit over enkele A4-tjes. Allemaal bomen. En een smal paadje dat tussen de stammen naar beneden kronkelde. Naar de hoek van de kamer. Daar zou hij zijn huis tekenen. Twee rechte lijnen. De eerste muur stond er al. Buiten straalde de zon door de wolken. Maar hij zag het niet. De cello en de poedel gingen onvermoeibaar door.

Onder hem zoemde een stofzuiger op dezelfde toon als de scanner waar hij al bijna twee jaar dagelijks enkele werkuren mee doorbracht. Acht jaar had hij gestudeerd, vier verschillende studierichtingen. Zijn ‘gevarieerde job met doorgroeimogelijkheden’ bij de lokale bibliotheek bestond ’s ochtends uit het digitaliseren van het archief met behulp van een hoogtechnologische scanner, die zo hoogtechnologisch was dat niemand van de technische dienst hem wist te herstellen nadat hij een maand na aankoop was stilgevallen, waarna het toestel dan maar was vervangen door een oude vertrouwde huis- tuin- en keukenscanner met een topsnelheid van twee gescande pagina’s per minuut. De namiddagen bracht hij door met het labelen van nieuwe boeken in het magazijn, waar hij in het gezelschap verkeerde van drie bibliothecaressen van middelbare leeftijd die zich naast het plastificeren van de nieuwe en beschadigde boeken vooral bezighielden met het roddelen over het baliepersoneel. Ieder uur bracht hij de kar met boeken naar de balie, waar nog meer bibliothecaressen van middelbare leeftijd zich voornamelijk bezighield met het roddelen over de vrouwen van het magazijn. Aan de balie liet hij de vracht boeken achter, waarna het door gediplomeerde bibliothecaressen op de juiste plaats in het rek werd gezet. Aan het eind van de middag keek hij meestal uit naar de volgende morgen waarop hij weer rustig aan zijn scanner kon zitten. Tot hij de volgende morgen naast die scanner zat.

Een rasterwerk van lijnen vormde een dak. Een schoorsteen. Nog wat krullende rookpluimen. Klaar. Hij legde de balpen bij de rest van de stapel. De zijkant van zijn rechterhand zag rood. Hij ging in het midden van de kamer staan en draaide om zijn as. De rode stad staarde hem van alle kanten aan. 438 A4-bladen, hij had ze geteld. Met een zelfvoldane glimlach knielde hij neer op het tapijt en bewonderde de vier muren rond hem.

Hij wist niet hoe lang hij daar al zat. De cello was opgehouden met zijn dagelijkse routine. De hond ook. En nu? De woorden rolden vertwijfeld over zijn lippen. Het was alsof de tijd bijna twee jaar had stilgestaan en de teller nu plots als een gek doordraaide naar nu. Zijn hoofd tolde. Hij stond op en wankelde naar de openstaande balkondeur. Tranen stroomden uit het niets over zijn wangen. Zijn hart bonsde in zijn keel. Zwaar ademend steunde hij tegen de balustrade. Acht verdiepingen onder hem raasden de wagens nog steeds in een ononderbroken stroom door de straat.

Een witte flits zoefde voorbij zijn wazige ogen. Getoeter op straat. Een schreeuw boven hem. Hij leunde over de rand. Beneden op de stoep lag iets wat leek op een schapenwollen vloerkleedje. Farinelli. Een rode plas kwam langzaam van onder de donzige vacht gekropen. Boven hem verscheen een hoofd vol enorme krulspelden over de rand van het balkon. Een langgerekte schreeuw gevolgd door wanhopig gejank. Hij veegde zijn ogen droog, ademde diep, liet de balustrade los en liep naar binnen.

Hij drukte de computer aan. Hij surfte naar de vacaturewebsite en plaatste er zijn CV op. Morgen nam hij ontslag. Tevreden bewoog hij zijn muis naar het kruistekentje in de bovenhoek van zijn scherm. Een advertentie vulde het beeld. “Vind nu de ware liefde”. Waar wachtte hij nog op? Vijf minuten later had hij al zijn persoonlijke informatie doorgegeven. “Bedankt. Kies nu je profielnaam en vind de liefde van je leven.” Zijn vingers aarzelden even boven de toetsen. Een glimlach. Getokkel. Farinelli. Enter.


En wat vind je ervan?

Nog een kleine beloning voor het doorploegen van dit epistel:

dinsdag 6 april 2010

Mexico



Perron Brussel-Noord:

Een horde pendelaars wacht op een zonovergoten perron op de trein. Onder hen een man in een keurig, grijs maatpak. Aan zijn voeten staat een reistas. Op de tas ligt een enorme donkerblauwe sombrero.


maandag 5 april 2010

And we're back online!

Beste lezer. Na alweer een heel lang stilzwijgen heb ik nog maar eens besloten om deze blog opnieuw van wat nieuwe berichtjes te voorzien. Ik zal me voortaan (geen idee hoe lang ik het volhou) bezighouden met het posten van berichtjes over zaken die ik heb gezien en gehoord tijdens mijn dagelijkse bezigheden en mij om de een of andere reden zijn bijgebleven. En we vliegen er meteen in:



Trein Brugge – Knokke/Blankenberge:

Een man, een vrouw en een kind komen de treinwagon binnen. De vrouw en het kind gaan zitten aan de ene kant van het gangpad, de man aan de andere kant bij het raam. Tussen hen in zit een iets oudere vrouw een boek te lezen. De man en de vrouw negeren elkaar, tot de vrouw wordt opgebeld op haar gsm. Na het korte telefoongesprek begint hij tegen de vrouw:

“Was dat hem?”
“Maar nee.”
“Jawel é, ‘t was hem, ik weet het wel wè.”
“Awel ja.”
“Wat moest ‘ie nu weten?”
“Dat gaat je niet aan.”
“Was het om te vragen of dat ik me wel gedragen heb?”
“Maar nee.”
“Voor wat was ‘t dan?”
“(Zucht) Om te zeggen dat ‘ie me niet kan komen halen aan’t station.”
“Aah! Schone meneer.”
“Ja, als je werk hebt, gaat dat allemaal zo gemakkelijk niet é.”
“Wat wil je daarmee zeggen?”
“(Zucht) Niks.”
“Kging ik jullie anders wel naar huis voeren wè.”
“Met je brommer zeker? In da weer?”
“Awel ‘t is al goed, pakt maar de bus en ‘t is ‘t hopen da je er lang op moet wachten!”