vrijdag 14 mei 2010

Creaclub IV (bis)




Het langverwachte vervolg op het verhaal uit mijn vorige post:

De zon sloeg ongenadig neer op de glimmende zwarte zerken. Het kerkhof lag er verlaten bij, met uitzondering van twee parkwachters in groene overall die onder de bomenrij voorbij slenterden. Rita herkende George, hij had hen rondgeleid toen ze hier zes jaar geleden voor het eerst kwamen. De andere was nieuw hier. Vast een jobstudent dacht Rita. Een magere, slungelachtige jongen met lang donker haar dat voor zijn ogen viel. Roger liep wat verder voor hen uit. “Zie je die daar?” George wees naar Roger. De jongen knikte sloom. “Proficiat. Dan heb je je eerste levend lijk gezien.” De jongen keek niet begrijpend toen George hem een schouderklopje gaf. “Ja, we noemen hem en zijn vrouw ‘de zombies’. Die komen hier iedere zaterdag, weer of geen weer, hun eigen graf opblinken.” “Hun eigen graf?” “Ja jongen, ge zou ervan verschieten wat wij hier allemaal meemaken. Ze komen naar ’t schijnt niet meer overeen met hun kinderen.” George lachte: “’K vraag me af wie dat er dan dat graf gaat komen kuisen als ze alle twee dood zijn!”

Rita zat op haar knieën op de grafsteen, met gele rubberen handschoenen en een schuurborstel in haar hand de twee na te kijken terwijl ze het pad afliepen. “De zombies”, prevelde ze zacht. Met een smak kieperde ze de emmer zeepsop over de steen. De zerk stoomde in de hitte. Ze stortte zich met de schuurborstel voorover en begon als een gek te schrobben. Alsof zij eraan kon doen dat haar kinderen niet meer naar haar omkeken. Wat had ze dan moeten doen? Roger verlaten? Na al die jaren? En dan? Het zweet gutste langs haar armen naar beneden. En wat zouden de mensen wel niet denken? Ze zou nogal een naam hebben. Haar schouders en nek kleurden steeds roder, maar Rita merkte niks. De zonnestralen weerkaatsten op de blinkende steen. Met woeste halen schuurde ze verder terwijl ze keek naar het wazige spiegelbeeld onder de borstel. Zwarte vlekken gleden voor haar ogen. Het spiegelbeeld begon te veranderen. Een dikke grijze snor groeide uit haar neus. Haar wangen bliezen zich op. Ze keek niet langer naar zichzelf, maar naar Roger. Hij lachte zijn tanden bloot en stak zijn armen naar haar uit. Met een kracht braken zijn handen door de grafsteen. Zijn zoekende vingers grepen Rita bij de polsen en sleurden haar naar beneden.

Met een schok sprong Rita recht. Ze duizelde op haar benen en haar tong plakte tegen haar uitgedroogde verhemelte. Hijgend en helemaal doorweekt ging ze op het bankje onder de kerselaar zitten. Haar hoofd bonsde. Ze sloot haar ogen.

“Wat is er hier gebeurd?!” Roger stond met zijn armen in de zij voor het graf. “Amai, hij heeft nog nooit zo schoon geblonken. Ge hebt uw best gedaan.” “En waar zat gij?” Roger draaide zich om. Rita stond op van de bank. “Ik was wat water gaan halen uit den auto. Met zo’n warm weer moet ge opletten dat ge voldoende vocht binnenkrijgt.” “Hoe ziet gij er trouwens uit? Precies een slons.” “En hebt ge voor mij ook wat water mee dan?” Ze stond nu vlakbij Roger. “Euhm, nee. T’is dorstig weer é. Da’s al allemaal op.” Het leek of haar brein bonkte tegen haar slapen. Rode vlekken flitsten voor haar ogen. “Gij smerige egoïst!” Roger keek verbaasd toe hoe de schuurborstel naar zijn hoofd werd geslingerd. En opnieuw. “Wat, wat krijgen we nu?” Hij wankelde een paar stappen naar achter, struikelde over de lege emmer zeepsop en viel met gespreide armen naar achter, dwars over de grafsteen. Zijn nek maakt een vreemde knik bij het raken van de granieten rand van de zerk. Met een schreeuw stortte Rita zich bovenop hem en klopte met de borstel tot die rood zag.

Ze haalde een zakdoek boven en veegde de tranen en het zweet van haar gezicht. Ze verzamelde het schoonmaakgerief en stopte alles terug in de emmer. Aan de kraan wat verderop spoelde ze haar handen en dronk ze een paar grote slokken water. George en de nieuwe jongen stonden bij de uitgang op een schop te leunen. Ze lachte vriendelijk in hun richting. “Tot volgende week”, riep George. Ze liep naar de rode Nissan in de schaduw van de treurwilg en stapte in. Ze startte de wagen en door de boxen klonken The Gregorian Masters of Chant met een cover van ‘Nothing Else Matters’. Ze zette het volume op maximum en met gierende banden scheurde de wagen over het zinderende asfalt.

maandag 10 mei 2010

Creaclub IV



Voor de les Creatief Schrijven moesten we deze week een verhaal schrijven. Of beter, een aanzet, eerste versie of deel van een verhaal. Ziehier het resultaat, in deel 1 van het wilde avontuur van Roger en Rita:



Het zou geen dag worden als anders. Rita was met het onbehaaglijke gevoel opgestaan en het had haar de hele ochtend niet meer losgelaten. Misschien was het door dat aanhoudende zwoele weer. Ze sliep al dagen slecht door die hitte. En Roger hield het slaapkamerraam liever dicht ’s nachts nu dat Marokkaanse gezin aan de overkant van de straat was komen wonen.

Zenuwachtig knipte ze het slot van de donkerblauwe handtas op haar schoot steeds weer open en dicht. “Stop daar nu toch een keer mee! Ge haalt me helemaal uit mijn concentratie.” Haar vingers klampten zich rond de tas. Roger snoof diep door zijn neus, draaide de volumeknop van de autoradio nog wat hoger en begon opnieuw luid mee te zingen met de gregoriaanse gezangen op de cd. Wat had hij toch een prachtige stem gehad. Ze was meteen als een blok voor hem gevallen de eerste keer dat hij zijn keel had opengezet. Hij was aan het oefenen met het kerkkoor, zij bracht net verse bloemen uit de zaak van haar ouders naar de heilige Madonna. Sinds die dag had ze geen enkele misviering gemist waarin hij meezong, tot hij uiteindelijk ook haar opmerkte. Dertig jaar lang had hij zich blijven inzetten voor dat koor en dan was er dat spijtig voorval geweest met het wespennest in de dakgoot. Hij heeft nooit meer hetzelfde geklonken. Drie weken later was hij ontslagen uit het koor en nu zeven jaar later had Rita sterke twijfels of ze die nachtegalenstem waarop ze verliefd was geworden nog ooit terug zou horen. Maar Roger bleef volhardend verder oefenen aan zijn glorieuze comeback.

“Godverdomme, welke onnozelaar heeft er zijn auto daar op mijn plaats gezet?!” Het parkeerterrein lag er verlaten bij, met uitzondering van een grote zwarte lijkwagen bij de treurwilg. Traag reed Roger de rode Nissan Micra langs de lijkwagen. “En ’t is er dan nog één van Van Snick. Die weet nu toch al dat wij hier ieder weekend staan?” Aan het einde van de parkeerplaats maakte Roger rechtsomkeer. “Zou die hier nog lang bezig zijn?”, hij drukte twee keer hard op de claxon. “Er is toch plaats genoeg?”, probeerde Rita nog. “Ik zet mijn auto altijd daar en ge weet waarom. De beste plaats van heel de parking. In de schaduw van de boom, maar ook niet eronder, zodat niet heel mijn auto is volgescheten als we terugkeren.” Een man met een zwart pak kwam vloekend aangelopen over het grasveld, stapte in de lijkwagen, reed twintig meter verder en parkeerde de wagen opnieuw. Met een harde klap werd het portier dichtgeknald, waarop de man weer verdween in het groen. “Amai, die was ook niet al te goed gezind. Heb je dat nu gezien? Niet eens een goeiedag.” Verongelijkt reed Roger de auto mooi binnen de schaduw van de treurwilg.

Rita haalde de emmer, de schuurborstel en de schoonmaakproducten uit de koffer. De zon stond hoog aan de hemel. Het asfalt van het parkeerterrein zinderde in de hitte. Ze voelde haar nek tintelen en bedacht dat ze zichzelf was vergeten in te smeren met zonnecrème. Gelukkig had ze aan Roger wel gedacht. Samen liepen ze het pad af. Na hier zes jaar lang ieder weekend te komen, wist ze ondertussen blindelings waar ze zijn moest. Het derde pad naar links, voorbij het kapelletje rechtsaf tot aan de Japanse kerselaar en dan het tweede pad links. Roger wilde ver genoeg van de kerselaar verwijderd zijn, want die vallende bloesemblaadjes maken er toch altijd meteen een slordig boeltje van.

Met stevige bewegingen veegde Rita de schuurborstel over de glimmende granieten plaat en al snel stond het zweet haar op de rug. Hoewel ze hier nu al meer dan zes jaar kwamen vond ze het nog altijd eng om te worden aangestaard door haar eigen portret, met daarnaast de foto van Roger. Onder de foto’s stonden hun namen in koperkleurige letters met daarbij hun geboortedatums gevolgd door een streepje en een lege ruimte. Het was een idee van Roger geweest. Want wie zou hun begrafenissen regelen nu ze geen contact meer hadden met de kinderen? Bovendien hadden ze nu volledig hun eigen zin kunnen doen. De beste plaats van het kerkhof, de zerk die zij wilden, de steensoort: graniet, een duurzaam materiaal en gemakkelijk in onderhoud. Hij had echt aan alles gedacht. Hij begreep dan ook niet waarom er niet meer mensen waren zoals zij.



Spannend! Uw eigen ideeën en fantasieën over het verdere verloop van het verhaal zijn altijd welkom.

Om af te sluiten en bij wijze van bedanking voor het vele leeswerk, nog een Hit Van De Dag. Alstublieft:

donderdag 6 mei 2010

Goud




Boudewijnlaan, Brussel:

De zon schijnt. Er waait een briesje door de verse lenteblaadjes aan de bomen langs het voetpad. Tegen een gevel van een appartementsgebouw staan wat vuilniszakken en kartonnen dozen. Op de grond ernaast ligt een goudvis van wel 20 centimeter lang. Op de vierde verdieping staat een raam open.





Er spookt alweer de hele morgen een liedje door mijn hoofd. Vandaag is het deze: