Mijn in soepel zwart leer gehulde hand hield de overvolle boodschappentas stevig vast. Het regende. Ik trok de zwarte kap over mijn hoofd. Met grote passen liep ik de straat door, dwars door de plassen, terwijl mijn opgeblonken schoenen luid tikten tegen de natte kasseien. De muziek klonk al van om de hoek. Ik glimlachte. Onder het afdak stond een oude man enthousiast op een xylofoon te tokkelen. De omgekeerde pet op de grond voor zijn instrument was leeg en doorweekt, maar dat maakte hem niet minder vrolijk. In een vlotte beweging plaatste ik de boodschappentas naast hem neer, trok snel en onopvallend een foto en verdween weer in de regen.
In gedachten zag ik de verbaasde blik van de man bij het ontdekken van de tas. Hoe zijn handen erin graaiden en er de koekjes uithaalden, gevolgd door het vers fruit, het brood, de taart, de fles champagne, de omslag met geld. Ik zag de lach op zijn gezicht. Zijn gespreide armen richting hemel. Hoe de tranen uit zijn ooghoeken over zijn wangen rolden en er de regendruppels vergezelden. Ik zuchtte en glimlachend liep ik de vervallen rijwoning binnen.
Op de rommelige binnenplaats keerde ik om. Niemand. Ik haalde de kaart boven en liep naar de zware roestige poort aan het andere eind van de koer. In een flits gleed de kaart door de gleuf en de poort ging geruisloos open. Ik stapte het enorme verlaten pakhuis binnen. Een blik achterom. De poort gleed alweer dicht. In het donker liep ik naar de lift en drukte op de bovenste knop. Mijn vingerafdruk werd herkend en de lift zoefde omhoog.
Het was opgehouden met regenen en de zon scheen voorzichtig door de grote ramen de enorme loft binnen. In één haal drapeerde ik mijn lange zwarte mantel over de stoel bij de liftdeur, nam de step die tegen de muur leunde en rolde naar het andere eind van de ruimte. Ik parkeerde de step tegen de lange massief houten bureautafel en liep naar de wand ertegenover. Ik haalde het polaroidprentje van de man met de xylofoon uit mijn broekzak en hing hem aan de muur.
De laatste wolk trok voorbij en de zon straalde uitbundig binnen. De muur was bezaaid met foto’s. Mijn blik gleed over de wand. Op een krantenfoto lachten een groep weeskinderen me toe. Hun handen vol speelgoed dat op een dag zomaar voor de deur had gestaan. Een klasfoto bij de Eiffeltoren, nadat een anonieme gift ervoor gezorgd had dat er dat jaar toch geld genoeg was voor de Parijs-reis. Mijn broer en zijn vriendin voor hun droomhuis, dat ze hadden kunnen kopen toen de vorige eigenaar de prijs plots had gehalveerd. Het onopvallende kadertje in het midden van de muur met daarin een klein rozig briefje met daarop zeven cijfers. De juiste cijfers.
Buiten klonk lawaai. Ik opende het raam en tuurde in de diepte. Een man krabbelde recht van tussen de vuilnisbakken in de steeg ver onder mij. De fles champagne in zijn hand was bijna leeg. Waggelend van de ene gevel naar de andere ging hij verder. Een luide boer, en hij begon te zingen “J’aime, j’aime la vie”. Een glimlach verscheen op mijn lippen.
Het is na de middag. Op het perron staan enkele jongeren met rugzakken. Wat verder staan een paar zakenmensen, keurig in het pak. Ernaast staat een vrouw, begin de dertig. Een beige rok op kniehoogte, deftige zwarte schoenen met een lage hak, een zedig donkerblauw hemd. Haar blonde haren een beetje verward. Ze poetst haar tanden. Grondig. Ze spuwt op de sporen, bergt de tandenborstel op in haar beige handtas en stapt in de metro.
Regelmatig word ik wakker met een liedje. Niet op mijn wekkerradio, want die heb ik niet. Ook niet op mijn gsm, want die produceert geen ultramegamultipolyfone belgeluiden. Nee, ik word wakker met een liedje in mijn hoofd. Een liedje dat zich dan meestal voor de rest van de dag in 'high rotation' in mijn hoofd nestelt en constant smeekt om meegeneuried te worden.
U wist dit misschien niet, maar de schrijver dezes is een begenadigd zangtalent. Juffrouw Katrien van de muziekschool wist het al, "die blokfluit is een ramp, maar hij kan wel mooi zingen" en ook juffrouw Ongenae van het derde leerjaar was zodanig onder de indruk van mijn engelengezang in de tweewekelijkse misviering dat het goedbedoelende mens dit gewoonweg moest delen met de klas met de uitspraak: "jullie zouden beter allemaal een voorbeeld nemen aan Pieter, die zingt tenminste enthousiast mee in de mis". Dat ik hierdoor voorgoed was uitgesloten van een plaats bij de 'coole' klasgenoten, was vast nooit haar bedoeling geweest.
Maar genoeg jeugdtrauma's, vanmorgen werd ik hiermee wakker:
Nog een tekstje uit de les creatief schrijven, waarbij de opdracht was om over een ophefmakende gebeurtenis te schrijven alsof je er zelf bij was.
“Volgens mij is hij homo.” Meteen barst de liftcabine los in luid gekakel. “Maar nee, hij draagt een ring.” “Ja, meerdere ringen!” “Maar heeft hij geen dochter?” “Ja maar, dat sjaaltje! Zoiets draagt een gewone vent toch niet?” “Ja, da’s wel waar natuurlijk.”
Ting. De liftdeur gaat open en ik loop de gang in, achter me gaat de discussie uitgebreid verder. In het klaslokaal hangt de geur van collectief gegeeuw en lome vermoeidheid. “Zet er iemand een keer een raam open?” Een meisje in een flinterdun gebloemd kleedje gilt het uit: “Nee! Straks wordt het koud.” De docent loopt binnen, ploft zijn tas op het bureau en zwaait het uiteinde van zijn sjaaltje achter zich. Gesmoord gegiechel achter me. De deur gaat dicht.
Een monotoon gemompel heft aan vooraan in het lokaal. Dat, en de tropische hitte van de radiatoren brengt me al snel in een toestand van complete apathie. De deur gaat open. Ik schrik even op. Een paar rood aangelopen studenten haasten zich snel naar binnen, verontschuldigingen sissend over een vertraagde trein. Zuchtend zak ik weer neer. Even later gaat de deur opnieuw open. “Bus gemist.” Nog eens. “Tram geblokkeerd.” Een derde keer. “Overslapen.” Opnieuw. “Wat zal het zijn? Binnen of buiten?” De docent draait zich geërgerd om. Het sjaaltje wappert in de lucht. Hilariteit achteraan.
Een oorverdovende knal. Alle hoofden schrikken op. Het sjaaltje wappert vrolijk verder terwijl de docent tegen de grond zakt. Geen gelach meer. Een bleke jongen in het zwart en met een donkere zonnebril wandelt het lokaal binnen. Gisterenmiddag stond hij achter me in de rij voor de broodjes. Het meisje met het gebloemde kleedje gilt het uit. Cursussen en pennenzakken vallen op de grond. Nog een knal. Stoelen schuiven alle kanten op, mensen springen weg en tafels vallen om. Ik struikel over een rugzak. Iemand loopt over me heen. Weer knallen. Overal kronkelen mensen weg in hoekjes, tussen stoelpoten en onder boekentassen. Getier en gedaver in de gang. Opnieuw een knal. Ik krul me op, mijn handen tegen mijn oren gedrukt en mijn ogen dichtgeknepen. Dit gebeurt niet echt. Trage voetstappen. Het lokaal uit. Nog een schot. Niks meer.
Stank. Plots dringt ze mijn neus binnen. Een scherpe, zurige geur. De vloer is nat. Gesnuit, gesleep en gestommel rondom me. Ik hoor mensen rechtkomen. Ik kijk door mijn wimpers heen. Papier, jassen, een rugzak, een rug. Ik trek mijn ogen verder open. De fijne gebloemde stof waarin de rug gehuld is vertoont zompige, donkere vlekken. Mensen staan recht en kijken verweesd rond. Sommigen blijven liggen. Overal ligt papier. Wit en rood. Iemand loopt naar buiten. De rest volgt. Ik ook.
Een koppel van eind de twintig zit op de trein. Allebei hebben ze een halveliterblik bier in de hand. Zij heeft grijze tanden en draagt zwarte combatboots. Hij is een magere kerel in veel te wijde skaterkledij. Op haar schoot zit een schattige kleuter met blonde krullen, volledig in het roze gekleed.
“Jij vindt Dimitri toch ook leuker dan papa, é Shirley?” “(Luid) Ik haat papa!” “Ja é, mama?”
Ziehier mijn gevierde tekst uit de vorige les Creatief Schrijven. De opdracht luidde als volgt: "Schrijf een tekst over een persoon met een interessante voorgeschiedenis die op een punt komt in zijn/haar leven waarop hij/zij besluit zich in te schrijven op een datingsite." Het resultaat valt hieronder te lezen:
Muzieknoten trilden door de muur waarop hij aan het tekenen was. Bijna twee jaar oefende die cello nu al op hetzelfde stuk. Veel progressie had hij nog niet gemerkt. Maar misschien kwam dat door de muur die ertussen stond. In gedachten telde hij af: vijf, vier, drie, twee, een... “Woef!” Een glimlach. Farinelli, de gecastreerde koningspoedel op het balkon boven, hief zijn vertrouwde concerto aan. Al bijna twee jaar vergezelde de vleesgeworden pruik de cello met een klaaglijk gejank. Het klonk steeds wanhopiger. Maar misschien was dat enkel zijn verbeelding.
Hij tekende verder. De rode balpen vlamde over het papier. Een paar dieprode krassen, daarboven wat vertakkingen en een kroon van woeste krullen. Een boom. Het was een dag om bomen te tekenen. Hij had het monotone werk lang uitgesteld, maar vandaag ging het als vanzelf. Nog een boom. Het gezeur van de cello, het gejank van de hond en de ruisende stroom van wagens beneden werden achtergrondmuziek. En nog een boom.
De muziek werd luider. Hij was terug op het feestje met de vrienden. Bijna twee jaar geleden. Hetzelfde overvolle café als altijd. Dezelfde gezichten. Dezelfde moegedraaide feestnummers. “En wat vind je van hem?” riep ze in zijn oor. “Euh, hij ziet er een sympathieke gast uit”, stamelde hij. Ze keken naar de toog waar haar verovering zijn kaken rond een glas bier had gedrukt en het onder hevige aanmoedigingen zonder handen probeerde leeg te drinken. “Ik zie hem écht graag”, zei ze. Hij knikte. Wat deed hij hier? Uit de boxen klonk Paul Severs in een technoversie. “Woohoo!” Met een enthousiaste kreet stormde ze naar de dansvloer. Hij leegde zijn pint, draaide zich om en baande zich tegen de stroom een weg naar buiten, terwijl het café rond hem in slowmotion losbarstte. “Geen wonder dat ik ween”, zong de Vlaamse chansonnier. Hij trok de deur achter zich dicht. De wijsvinger van zijn rechterhand maakte tekeningen in de nachtlucht. En nog een boom.
Het rode bos onder zijn vingers strekte zich nu uit over enkele A4-tjes. Allemaal bomen. En een smal paadje dat tussen de stammen naar beneden kronkelde. Naar de hoek van de kamer. Daar zou hij zijn huis tekenen. Twee rechte lijnen. De eerste muur stond er al. Buiten straalde de zon door de wolken. Maar hij zag het niet. De cello en de poedel gingen onvermoeibaar door.
Onder hem zoemde een stofzuiger op dezelfde toon als de scanner waar hij al bijna twee jaar dagelijks enkele werkuren mee doorbracht. Acht jaar had hij gestudeerd, vier verschillende studierichtingen. Zijn ‘gevarieerde job met doorgroeimogelijkheden’ bij de lokale bibliotheek bestond ’s ochtends uit het digitaliseren van het archief met behulp van een hoogtechnologische scanner, die zo hoogtechnologisch was dat niemand van de technische dienst hem wist te herstellen nadat hij een maand na aankoop was stilgevallen, waarna het toestel dan maar was vervangen door een oude vertrouwde huis- tuin- en keukenscanner met een topsnelheid van twee gescande pagina’s per minuut. De namiddagen bracht hij door met het labelen van nieuwe boeken in het magazijn, waar hij in het gezelschap verkeerde van drie bibliothecaressen van middelbare leeftijd die zich naast het plastificeren van de nieuwe en beschadigde boeken vooral bezighielden met het roddelen over het baliepersoneel. Ieder uur bracht hij de kar met boeken naar de balie, waar nog meer bibliothecaressen van middelbare leeftijd zich voornamelijk bezighield met het roddelen over de vrouwen van het magazijn. Aan de balie liet hij de vracht boeken achter, waarna het door gediplomeerde bibliothecaressen op de juiste plaats in het rek werd gezet. Aan het eind van de middag keek hij meestal uit naar de volgende morgen waarop hij weer rustig aan zijn scanner kon zitten. Tot hij de volgende morgen naast die scanner zat.
Een rasterwerk van lijnen vormde een dak. Een schoorsteen. Nog wat krullende rookpluimen. Klaar. Hij legde de balpen bij de rest van de stapel. De zijkant van zijn rechterhand zag rood. Hij ging in het midden van de kamer staan en draaide om zijn as. De rode stad staarde hem van alle kanten aan. 438 A4-bladen, hij had ze geteld. Met een zelfvoldane glimlach knielde hij neer op het tapijt en bewonderde de vier muren rond hem.
Hij wist niet hoe lang hij daar al zat. De cello was opgehouden met zijn dagelijkse routine. De hond ook. En nu? De woorden rolden vertwijfeld over zijn lippen. Het was alsof de tijd bijna twee jaar had stilgestaan en de teller nu plots als een gek doordraaide naar nu. Zijn hoofd tolde. Hij stond op en wankelde naar de openstaande balkondeur. Tranen stroomden uit het niets over zijn wangen. Zijn hart bonsde in zijn keel. Zwaar ademend steunde hij tegen de balustrade. Acht verdiepingen onder hem raasden de wagens nog steeds in een ononderbroken stroom door de straat.
Een witte flits zoefde voorbij zijn wazige ogen. Getoeter op straat. Een schreeuw boven hem. Hij leunde over de rand. Beneden op de stoep lag iets wat leek op een schapenwollen vloerkleedje. Farinelli. Een rode plas kwam langzaam van onder de donzige vacht gekropen. Boven hem verscheen een hoofd vol enorme krulspelden over de rand van het balkon. Een langgerekte schreeuw gevolgd door wanhopig gejank. Hij veegde zijn ogen droog, ademde diep, liet de balustrade los en liep naar binnen.
Hij drukte de computer aan. Hij surfte naar de vacaturewebsite en plaatste er zijn CV op. Morgen nam hij ontslag. Tevreden bewoog hij zijn muis naar het kruistekentje in de bovenhoek van zijn scherm. Een advertentie vulde het beeld. “Vind nu de ware liefde”. Waar wachtte hij nog op? Vijf minuten later had hij al zijn persoonlijke informatie doorgegeven. “Bedankt. Kies nu je profielnaam en vind de liefde van je leven.” Zijn vingers aarzelden even boven de toetsen. Een glimlach. Getokkel. Farinelli. Enter.
En wat vind je ervan?
Nog een kleine beloning voor het doorploegen van dit epistel:
Een horde pendelaars wacht op een zonovergoten perron op de trein. Onder hen een man in een keurig, grijs maatpak. Aan zijn voeten staat een reistas. Op de tas ligt een enorme donkerblauwe sombrero.
Beste lezer. Na alweer een heel lang stilzwijgen heb ik nog maar eens besloten om deze blog opnieuw van wat nieuwe berichtjes te voorzien. Ik zal me voortaan (geen idee hoe lang ik het volhou) bezighouden met het posten van berichtjes over zaken die ik heb gezien en gehoord tijdens mijn dagelijkse bezigheden en mij om de een of andere reden zijn bijgebleven. En we vliegen er meteen in:
Trein Brugge – Knokke/Blankenberge:
Een man, een vrouw en een kind komen de treinwagon binnen. De vrouw en het kind gaan zitten aan de ene kant van het gangpad, de man aan de andere kant bij het raam. Tussen hen in zit een iets oudere vrouw een boek te lezen. De man en de vrouw negeren elkaar, tot de vrouw wordt opgebeld op haar gsm. Na het korte telefoongesprek begint hij tegen de vrouw:
“Was dat hem?” “Maar nee.” “Jawel é, ‘t was hem, ik weet het wel wè.” “Awel ja.” “Wat moest ‘ie nu weten?” “Dat gaat je niet aan.” “Was het om te vragen of dat ik me wel gedragen heb?” “Maar nee.” “Voor wat was ‘t dan?” “(Zucht) Om te zeggen dat ‘ie me niet kan komen halen aan’t station.” “Aah! Schone meneer.” “Ja, als je werk hebt, gaat dat allemaal zo gemakkelijk niet é.” “Wat wil je daarmee zeggen?” “(Zucht) Niks.” “Kging ik jullie anders wel naar huis voeren wè.” “Met je brommer zeker? In da weer?” “Awel ‘t is al goed, pakt maar de bus en ‘t is ‘t hopen da je er lang op moet wachten!”
Ontloken op een ijzige dag in februari waar hij tot op de dag van vandaag wintertenen aan overhoudt. Gekweekt in de zilte zeelucht van de Belgische kust. Verplant in Gent en momenteel aan het bloeien in Brussel. De Plantsoght, nu eindelijk ook in blogvorm te verkrijgen!