zondag 18 april 2010

Creaclub II

Nog een tekstje uit de les creatief schrijven, waarbij de opdracht was om over een ophefmakende gebeurtenis te schrijven alsof je er zelf bij was.



“Volgens mij is hij homo.” Meteen barst de liftcabine los in luid gekakel.
“Maar nee, hij draagt een ring.”
“Ja, meerdere ringen!”
“Maar heeft hij geen dochter?”
“Ja maar, dat sjaaltje! Zoiets draagt een gewone vent toch niet?”
“Ja, da’s wel waar natuurlijk.”

Ting. De liftdeur gaat open en ik loop de gang in, achter me gaat de discussie uitgebreid verder. In het klaslokaal hangt de geur van collectief gegeeuw en lome vermoeidheid. “Zet er iemand een keer een raam open?” Een meisje in een flinterdun gebloemd kleedje gilt het uit: “Nee! Straks wordt het koud.” De docent loopt binnen, ploft zijn tas op het bureau en zwaait het uiteinde van zijn sjaaltje achter zich. Gesmoord gegiechel achter me. De deur gaat dicht.

Een monotoon gemompel heft aan vooraan in het lokaal. Dat, en de tropische hitte van de radiatoren brengt me al snel in een toestand van complete apathie. De deur gaat open. Ik schrik even op. Een paar rood aangelopen studenten haasten zich snel naar binnen, verontschuldigingen sissend over een vertraagde trein. Zuchtend zak ik weer neer. Even later gaat de deur opnieuw open. “Bus gemist.” Nog eens. “Tram geblokkeerd.” Een derde keer. “Overslapen.” Opnieuw. “Wat zal het zijn? Binnen of buiten?” De docent draait zich geĆ«rgerd om. Het sjaaltje wappert in de lucht. Hilariteit achteraan.

Een oorverdovende knal. Alle hoofden schrikken op. Het sjaaltje wappert vrolijk verder terwijl de docent tegen de grond zakt. Geen gelach meer. Een bleke jongen in het zwart en met een donkere zonnebril wandelt het lokaal binnen. Gisterenmiddag stond hij achter me in de rij voor de broodjes. Het meisje met het gebloemde kleedje gilt het uit. Cursussen en pennenzakken vallen op de grond. Nog een knal. Stoelen schuiven alle kanten op, mensen springen weg en tafels vallen om. Ik struikel over een rugzak. Iemand loopt over me heen. Weer knallen. Overal kronkelen mensen weg in hoekjes, tussen stoelpoten en onder boekentassen. Getier en gedaver in de gang. Opnieuw een knal. Ik krul me op, mijn handen tegen mijn oren gedrukt en mijn ogen dichtgeknepen. Dit gebeurt niet echt. Trage voetstappen. Het lokaal uit. Nog een schot. Niks meer.

Stank. Plots dringt ze mijn neus binnen. Een scherpe, zurige geur. De vloer is nat. Gesnuit, gesleep en gestommel rondom me. Ik hoor mensen rechtkomen. Ik kijk door mijn wimpers heen. Papier, jassen, een rugzak, een rug. Ik trek mijn ogen verder open. De fijne gebloemde stof waarin de rug gehuld is vertoont zompige, donkere vlekken. Mensen staan recht en kijken verweesd rond. Sommigen blijven liggen. Overal ligt papier. Wit en rood. Iemand loopt naar buiten. De rest volgt. Ik ook.

Geen opmerkingen: