vrijdag 30 april 2010

Creaclub III



Mijn in soepel zwart leer gehulde hand hield de overvolle boodschappentas stevig vast. Het regende. Ik trok de zwarte kap over mijn hoofd. Met grote passen liep ik de straat door, dwars door de plassen, terwijl mijn opgeblonken schoenen luid tikten tegen de natte kasseien. De muziek klonk al van om de hoek. Ik glimlachte. Onder het afdak stond een oude man enthousiast op een xylofoon te tokkelen. De omgekeerde pet op de grond voor zijn instrument was leeg en doorweekt, maar dat maakte hem niet minder vrolijk. In een vlotte beweging plaatste ik de boodschappentas naast hem neer, trok snel en onopvallend een foto en verdween weer in de regen.

In gedachten zag ik de verbaasde blik van de man bij het ontdekken van de tas. Hoe zijn handen erin graaiden en er de koekjes uithaalden, gevolgd door het vers fruit, het brood, de taart, de fles champagne, de omslag met geld. Ik zag de lach op zijn gezicht. Zijn gespreide armen richting hemel. Hoe de tranen uit zijn ooghoeken over zijn wangen rolden en er de regendruppels vergezelden. Ik zuchtte en glimlachend liep ik de vervallen rijwoning binnen.

Op de rommelige binnenplaats keerde ik om. Niemand. Ik haalde de kaart boven en liep naar de zware roestige poort aan het andere eind van de koer. In een flits gleed de kaart door de gleuf en de poort ging geruisloos open. Ik stapte het enorme verlaten pakhuis binnen. Een blik achterom. De poort gleed alweer dicht. In het donker liep ik naar de lift en drukte op de bovenste knop. Mijn vingerafdruk werd herkend en de lift zoefde omhoog.

Het was opgehouden met regenen en de zon scheen voorzichtig door de grote ramen de enorme loft binnen. In één haal drapeerde ik mijn lange zwarte mantel over de stoel bij de liftdeur, nam de step die tegen de muur leunde en rolde naar het andere eind van de ruimte. Ik parkeerde de step tegen de lange massief houten bureautafel en liep naar de wand ertegenover. Ik haalde het polaroidprentje van de man met de xylofoon uit mijn broekzak en hing hem aan de muur.

De laatste wolk trok voorbij en de zon straalde uitbundig binnen. De muur was bezaaid met foto’s. Mijn blik gleed over de wand. Op een krantenfoto lachten een groep weeskinderen me toe. Hun handen vol speelgoed dat op een dag zomaar voor de deur had gestaan. Een klasfoto bij de Eiffeltoren, nadat een anonieme gift ervoor gezorgd had dat er dat jaar toch geld genoeg was voor de Parijs-reis. Mijn broer en zijn vriendin voor hun droomhuis, dat ze hadden kunnen kopen toen de vorige eigenaar de prijs plots had gehalveerd. Het onopvallende kadertje in het midden van de muur met daarin een klein rozig briefje met daarop zeven cijfers. De juiste cijfers.

Buiten klonk lawaai. Ik opende het raam en tuurde in de diepte. Een man krabbelde recht van tussen de vuilnisbakken in de steeg ver onder mij. De fles champagne in zijn hand was bijna leeg. Waggelend van de ene gevel naar de andere ging hij verder. Een luide boer, en hij begon te zingen “J’aime, j’aime la vie”. Een glimlach verscheen op mijn lippen.

Geen opmerkingen: